Ik tril al bij het geluid van een boor – maar waar komt dat gevoel vandaan?
“Mijn moeder was ook bang voor de tandarts, dus het zit gewoon in de familie.” Die uitspraak hoor je vaker dan je denkt. Maar is dat ook echt zo? Is tandartsangst iets wat in je genen zit, of leer je het door wat je meemaakt of ziet bij anderen? Verrassend genoeg is het antwoord niet zo zwart-wit. Onderzoek wijst namelijk uit dat beide factoren een rol spelen – erfelijkheid én omgeving.
Volgens een studie van het King’s College London (2012) is er een genetische component in tandartsangst. Maar minstens zo belangrijk is wat je in je jeugd hebt meegemaakt of gezien. Een ouder die zelf angstig is, kan die angst – vaak onbedoeld – overdragen op het kind. En dan speelt ook de eerste ervaring met een tandarts een grote rol: was die positief of juist traumatisch?
Waarom is dit onderwerp juist nu belangrijk? Steeds meer mensen kampen met uitgestelde tandartsbezoeken, met alle gevolgen van dien. Onbehandelde gaatjes, ontstekingen of zelfs verloren tanden komen vaker voor dan je denkt – simpelweg omdat iemand bang is om in de tandartsstoel te gaan zitten. Door te begrijpen waar die angst vandaan komt, kunnen tandartsen en patiënten samen betere oplossingen vinden.
In dit artikel duiken we dieper in de vraag: is tandartsangst erfelijk of aangeleerd? Je ontdekt wat de wetenschap zegt, hoe het in de praktijk werkt, welke misvattingen er zijn, en waarom het belangrijk is om dit thema bespreekbaar te maken. Of je nu zelf bang bent of iemand kent die dat is – deze inzichten kunnen het verschil maken.
Genen versus gewoonten: waar ligt de oorsprong van tandartsangst?
De angst voor de tandarts, ook wel dentofobie genoemd, behoort tot de meest voorkomende specifieke angsten in Nederland. Maar waar komt die vandaan? De wetenschap laat een interessant spanningsveld zien tussen erfelijkheid en opvoeding.
Uit genetisch onderzoek blijkt dat er een zekere gevoeligheid voor angststoornissen in het algemeen erfelijk kan zijn. Dat betekent: sommige mensen hebben van nature een sterker angstmechanisme in hun hersenen. Bij hen kunnen signalen als het geluid van een boor, de geur van de behandelkamer of het idee van pijn sneller angst oproepen. In dat geval is tandartsangst deels biologisch bepaald.
Maar erfelijkheid is slechts één kant van het verhaal. De sociale leeromgeving speelt minstens een even grote rol. Kinderen die opgroeien met ouders die zelf bang zijn voor de tandarts, krijgen die angst vaak mee – niet genetisch, maar gedragsmatig. Ze zien de spanning bij hun vader of moeder, horen negatieve verhalen en leren zo onbewust dat de tandarts iets is om bang voor te zijn.
Een bekend voorbeeld hiervan is het verhaal van Lisa (32): “Mijn moeder ging altijd gestrest naar de tandarts en vertelde me hoe erg het vroeger bij haar was. Toen ik op mijn zesde voor het eerst ging, was ik al bang, nog voor ik binnen was. Ik heb tot mijn twintigste bijna elk bezoek vermeden.”
En dan is er nog de eerste ervaring zelf. Veel mensen ontwikkelen tandartsangst door een pijnlijke of ongemakkelijke behandeling in hun kindertijd. Eén slechte ervaring kan jarenlang doorspelen – en in sommige gevallen zelfs tot volledige vermijding leiden.
Kortom, tandartsangst ontstaat vaak uit een mix van genetische aanleg en leerervaringen. Je bent dus niet ‘veroordeeld’ door je genen – maar omgekeerd kun je ook niet zomaar je opvoeding als enige oorzaak aanwijzen. Beide factoren werken samen, en dat maakt het des te belangrijker om goed te kijken naar de oorsprong van iemands angst.
Waarom dit onderwerp meer aandacht verdient
Tandartsangst lijkt op het eerste gezicht een klein probleem – tot je beseft hoeveel invloed het heeft op iemands gezondheid. Uit cijfers van het CBS blijkt dat ruim 800.000 Nederlanders hun tandarts jarenlang vermijden. De gevolgen? Slechte mondgezondheid, verhoogd risico op ontstekingen, en soms zelfs schaamte of sociale terugtrekking.
Wat maakt tandartsangst zo hardnekkig? Een paar opvallende factoren:
- De cirkel van vermijding: Wie bang is, stelt uit. Hoe langer je wacht, hoe groter het probleem – en hoe enger het idee om alsnog te gaan. Zo ontstaat een vicieuze cirkel.
- Schaamtegevoelens: Veel mensen schamen zich voor hun angst. Ze voelen zich ‘zwak’ of ‘kinderachtig’ en praten er daarom niet over, wat het probleem alleen maar vergroot.
- Culturele invloeden: In sommige families of culturen heerst een zekere terughoudendheid tegenover medische hulp. Angst wordt daar niet besproken – of zelfs ontkend.
- Media en verhalen: Negatieve films, griezelverhalen of overdreven nieuwsberichten kunnen een sterk effect hebben, vooral op kinderen. Wat bedoeld is als fictie, blijft soms hangen als waarheid.
Daar tegenover staan gelukkig ook positieve ontwikkelingen. Steeds meer tandartsen zijn gespecialiseerd in angstbegeleiding en gebruiken technieken als cognitieve gedragstherapie, kalmeringsmiddelen of zelfs virtual reality om patiënten op hun gemak te stellen. De vraag naar zulke benaderingen groeit – en terecht.
Daarnaast helpt goede communicatie. Een tandarts die luistert, uitlegt en meebeweegt, maakt vaak een wereld van verschil. Zoals tandarts Jeroen uit Arnhem zegt: “Als iemand met knikkende knieën binnenkomt, probeer ik niet meteen te behandelen, maar eerst vertrouwen op te bouwen. Soms is dat het halve werk.”
Misverstanden die tandartsangst in stand houden
Er doen nogal wat hardnekkige misvattingen de ronde over tandartsangst. Die zorgen er vaak voor dat mensen onnodig lang rondlopen met angst – of zich schamen om hulp te zoeken. Tijd om die mythes onder de loep te nemen.
“Tandartsangst is iets voor kinderen.”
Integendeel. Uit onderzoek blijkt dat ook volwassenen – zelfs succesvolle professionals – kampen met hevige angst voor de tandarts. Het is geen kwestie van leeftijd, maar van ervaring en gevoeligheid.
“Als je bang bent, moet je er gewoon doorheen.”
Deze stoere mentaliteit helpt zelden. Angst is een echte emotie, geen zwakte. Er ‘doorheen duwen’ zonder begeleiding kan het zelfs erger maken. Beter is het om stapsgewijs vertrouwen op te bouwen.
“Tandartsen hebben geen tijd voor angstige patiënten.”
Onjuist. Steeds meer tandartsen – zeker in steden als Arnhem – nemen juist extra tijd voor mensen met angst. Er zijn zelfs praktijken die zich volledig richten op angstbegeleiding. De sleutel? Erover praten.
“Er is niets aan te doen.”
Dat is misschien wel de gevaarlijkste mythe. Want er zijn wél effectieve behandelingen en strategieën – van geleidelijke blootstelling en ademhalingstechnieken tot medicamenteuze ondersteuning. De eerste stap is erkennen dat de angst er is.
Door deze misvattingen te doorbreken, ontstaat ruimte voor verandering. Voor begrip, betere zorg én minder angstige patiënten.
Wat de toekomst brengt: een nieuwe generatie zonder angst?
De manier waarop we tandartsangst benaderen, is aan het veranderen. En dat is goed nieuws. Steeds vaker wordt er gekeken naar preventie: hoe kunnen we kinderen en jongeren zó introduceren aan mondzorg dat angst geen kans krijgt?
In moderne praktijken wordt spelenderwijs gewerkt met jonge patiënten. Denk aan kindvriendelijke rondleidingen, het ‘tellen van tanden’ als speelse oefening, of zelfs virtuele kennismakingen met de behandelkamer. Hoe eerder een kind positieve associaties opbouwt, hoe kleiner de kans op angst op latere leeftijd.
Bovendien groeit het besef dat tandartsangst niet iets is om te verbergen. Influencers, psychologen en zelfs bekende Nederlanders delen hun ervaringen, waardoor het taboe afneemt. Ook in opleidingen voor mondzorgprofessionals krijgt angstbegeleiding meer aandacht – van communicatietechnieken tot psychologische basiskennis.
De toekomst? Die zou zomaar kunnen bestaan uit praktijken waar elke patiënt – angstig of niet – zich veilig en gehoord voelt. Waar mondgezondheid en mentaal welzijn hand in hand gaan. En waar het idee van “bang zijn voor de tandarts” steeds minder voorkomt.